rik z´n schrijfsels

hier vind je een paar van mijn columns/blogs/essays die ik geschreven heb en waar ik trots op ben. in wat ik schrijf probeer ik god te laten spreken zonder hem/haar bij naam te noemen. ik probeer in gewone-mensen-taal te schrijven.

friesch dagblad

vrijheidscolumn voor het Friesch Dagblad op 6 mei 2019

nederlands dagblad

essay voor het Nederlands Dagblad naar aanleiding van de Nashville verklaring op 11 januari 2019

lazarus

blog voor lazarus.nl over een klimaatprofeet op 7 maart 2019 (overgenomen door het ND en CIP.nl)

fragment column ‘God is een vrouw en wordt oud’ (kloostercollege ongeneeslijk religieus)

God is een vrouw en ze wordt oud. Haar stem kraakt, ze kan niet meer rechtop staan en haar benen komen onder verschillende hoeken onder haar rok vandaan. Haar haar is zilverwit en de huid van haar handen perkamentachtig en doorschijnend.

God is een vrouw en ze zegt me te gaan zitten. Als ze naar de keuken schuifelt voel ik me opgelaten. Zal ik zeggen dat ze moet blijven? Dat ik zelf wel even de koffie haal? Of is het voor haar belangrijk dat ze me zelf haar koffie geeft? Wil ze me laten zien dat ze het nog redt en dat ze mij niet nodig heeft? Ik kijk de kamer rond en ga langs alle vertrouwde spulletjes. De koperen vogel waar ik vroeger mee speelde. De grote blauwe stoel die op een troon lijkt. In de hoek een oude, leren leunstoel die al een hele tijd leeg is.

Ze komt de kamer binnen met een kopje koffie in een gebloemd kopje en zet ‘m voor me neer op de oude eikenhouten tafel met het Perzische tapijtje als loper. In haar andere hand heeft ze een kopje voor haarzelf en ergens anders vandaan komt een blok chocola met rozijnen en noten tevoorschijn. Ze gaat zitten en zegt: ‘Neem toch een stukje chocola jongen. Je moet er nog van groeien’. Ik houd niet van rozijnen in chocola, dus ik neem een klein stukje en zeg netjes ‘bedankt’.

Ik vraag hoe het in het ziekenhuis was en realiseer me opeens dat ik niet meer zeker weet of dat een paar week of een paar jaar geleden was. ‘Ik ben er levend uitgekomen’ zegt ze. We kwebbelen wat over het eten in ziekenhuizen, de drukke zusters en moeten lachen om die keer dat ze tegen de muur leunde en per ongeluk het alarm afging op de hele afdeling. Dat de zusters en dokters in paniek rondrenden en zij met een onderdrukte lach terug in bed kroop.

God wordt oud en ze kijkt me doordringend aan, ik kan haar ogen niet weerstaan. Ik hoor haar binnenste zonder woorden fluisteren: Kom naar huis. Ik wil je graag zien, waarom kom je niet naar huis?
Maar ze zal de telefoon niet oppakken en me bellen. Ze weet al wat ik ga zeggen: ‘Ik heb het druk, ik kom graag langs maar het komt nu even echt heel slecht uit’.

Ze weet net als ik dat mijn drukte een excuus is. Ze weet dat ik niet langs wil komen omdat ik haar getekende en oude gezicht liever niet zie. Het is moeilijk om een gezicht aan te kijken wat je verwachtingen heeft teleurgesteld. Dat ze mij niet alles gaf wat ik wilde. Dat ze niet voor mijn succes heeft gezorgd en ik steeds weer faal. Dat ze me niet heeft kunnen weerhouden pijn te lijden. Ik ga liever niet bij haar langs omdat ik mezelf en haar wil beschermen tegen de teleurstelling. De teleurstelling van de dromen die niet waar geworden zijn.

Ik vertel haar over alles waar ik mee bezig ben. Ik dik het nog een beetje aan. Ze kijkt me aan en luistert, knikt op de goede momenten en ik zie een waarderende glimlach op haar lippen. Ik vertel over de vrienden met wie ik afspreek. Ik laat foto’s zien van de plekken waar ik op vakantie ben geweest. Ik vermijd mijn liefdesleven en zij vraagt er niet meer naar. Ze verteld op haar beurt over die keer in de bergen dat het bliksemde en hagelde en bang was dat haar kinderen iets zou overkomen. De kinderen daarentegen vonden het de mooiste tocht die ze hebben gedaan.

Ik neem een slok van mijn koffie en zij vraagt me of ik mijn moeder mis. Ik knik. Ik vraag haar of zij haar moeder mist. Ze knikt. Ik vraag haar wat haar laatste herinnering is. ‘Dat ik bij mijn moeder op schoot zit. Mijn hoofd tegen haar borst. Ik voel haar warmte en hoor haar ademhaling. Soms als ik naar bed ga en ik voel me eenzaam, kan ik heel erg verlangen naar haar huid’. Ik zie die vierentachtig jarige vrouw in foetus houding bij haar moeder op schoot zitten en ik besef, ook god vraagt zich weleens af waarom zij toch in hemelsnaam verlaten wordt.